DE RONZEBONS

De ronzebons – een kijkje achter de schermen van de poppenkast (deel 1)
Lezing verzorgd door Wim Kerkhove in Theater Pantijn op 31 augustus 1998 (herschreven op 11 april 2009)
©

Op de Dam met Klaas Bakker kondigen we samen met een liedje de voorstelling aan (foto: Marco Bakker)

INLEIDING

Hoe word je poppenspeler (Jan Klaassenspeler)?
Veel interviews beginnen met deze vraag. Meestal heb ik er niet zo’n zin in antwoord te geven en eerlijk gezegd weet ik het ook niet zo goed. Vaak maak ik mij er vanaf met een antwoord als: “Afzien, hard werken, niks willen verdienen en volhouden.” De interviewer wil echter weten of het er bij mij als kind al vroeg inzat. Speelde ik als kind ook al met poppen? Wilde ik als kind ook al anderen vermaken met mijn kunsten? Ja natuurlijk, maar welk kind niet? In de schuurdeuropening spande ik als kind een oud gordijn en improviseerde, met geleende handpoppen, een verhaaltje voor een door mij eigenhandig geronseld en betalend jeugdig publiek. Ook organiseerde ik meermalen een circus in onze tuin, waarbij dan onze vele huisdieren, van egel, schildpad, kip, poes, hond tot konijn, het moesten ontgelden. Zelfs verkocht ik mensen aan de voordeur bloemen, die ik net daarvoor uit hun eigen achtertuin had geplukt. Zo gaat het nu nog steeds met verhaaltjes. Feitelijk schotel ik mensen hun eigen verhaaltjes voor, waar ze dan nog voor betalen ook.

Soms graaf ik verder terug in mijn eigen leven, mijn eigen jeugd en probeer te achterhalen of ik als kind al meer specifieke kwaliteiten of interesses had, die wezen op een mogelijke ontwikkeling tot poppenspeler. Achteraf is het altijd makkelijk bewijs te vinden, daar een mens gauw geneigd is te interpreteren naar wat wenselijk is. Het resultaat van mijn onderzoek stond dus ook al vantevoren vast: ik was geboren om poppenspeler te worden. En niet zomaar een poppenspeler. Nee, veel erger nog, een Jan Klaassenspeler, een straatartiest. Als kind was ik altijd op straat te vinden. Dit in tegenstelling tot mijn oudere en jongere broer, die altijd binnen zaten en zich verloren in Arendsoog en Pietje Bell.  Ik beleefde de avonturen, waar zij over lazen. Dit doorgaans tot groot ongenoegen van buren, onderwijzers, kleine middenstanders en mijn moeder. Mijn vader was al met de noorderzon vertrokken. Van hem heb ik dan ook zeker de drang tot reizen en het voortdurend verbreden van mijn horizon, wat essentieel genoemd mag worden voor het beroep van poppenspeler.

Mijn vader was ook een handige knutselaar. Dat knutselen is mij met de Bibelebontse paplepel ingegoten. Het zou mij later goed van pas komen, want poppenspelers zijn knutselaars. Mijn vader was ook iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Een van de basiskenmerken van Jan Klaassen. En net als in ‘Huize Klaassen’ was bij ons thuis de echtelijke ruzie gecultiveerd tot een vorm van kunst, waarbij je als kind, op veilige afstand, het publiek vormde. Korte tijd was mijn vader beroepsmilitair. Ik ken hem dan ook vooral van foto’s waarop hij staat geportretteerd in uniform, sprekend de generaal uit mijn Jan Klaassenspel, die onder de groene zoden wordt gestampt. Voer voor psychologen.

Een andere verklaring voor mijn beroepskeuze vind ik in het eerste huwelijk van mijn moeder. Zij trouwde met een zekere meneer Klaassen, de vader van mijn oudste broer. Toen deze man overleed, hertrouwde mijn moeder en werd ik geboren. De tante van mijn oudste broer (Dien Klaassen) borduurde, voor boven mijn broers ledikant, een afbeelding van een Jan Klaassenpoppenkast, met op de achtergrond oud-Hollandse grachtenpandjes en op de voorgrond publiek en spelende kinderen. Omdat ik de slaapkamer deelde met mijn broer, sliep ik altijd in en ontwaakte ik met het poppenkasttafereel op mijn netvlies. Wat ik nu dus doe, is het kopiëren van dat plaatje uit mijn jeugd.

Tot zo’n bespiegeling kom ik door de vraag: “Hoe word je poppenspeler?” “Hoe ben je er zo toegekomen?” Het lijkt wel alsof je een soort ziekte hebt, een afwijking. Het is natuurlijk ook wel iets afwijkends. Mensen vragen ook dikwijls wat je nu eigenlijk écht voor werk doet. Zij kunnen zich niet voorstellen, dat dit dan echt je werk is, je beroep en dat je daar je brood mee kunt verdienen. Dat laatste is, door de eeuwen heen, ook nooit makkelijk geweest. Maar goed, je geniet als zelfstandige een grote mate van vrijheid en hoeft je voor geen enkele baas te verantwoorden. Ook dat is des Jan Klaassens. Als kind kon ik al geen gezag aanvaarden en ging altijd mijn eigen weg, wat er ook gebeurde en wat de sancties ook waren.

Wim Kerkhove met Jan Klaassen en Katrijn (foto: Jean van Lingen)

In Jan Klaassen herkende ik veel van mijzelf, van hoe ik in wereld sta, van mijn eigen gevecht tegen gezag, tegen machthebbers. Met Jan Klaassen kan ik op een vermakelijke wijze alle grote thema’s in de samenleving aan de orde stellen. Als geboren querulant, antimilitarist en actievoerder verzette ik mij (jaren zestig, zeventig, tachtig) tegen de wapenwedloop tijdens de ‘koude oorlog’. Ik was vijftien toen ik voor het eerst aan een demonstratie deelnam tegen de Russische inval in het toenmalige Tsjecho-Slowakije. Tijdens de Vietnamoorlog en het schrikbewind in Chili was ik even meer bezig met jeugdpuistjes, meisjes, het vrije leven op kamers en ‘salonsocialisme’. De wereld werd verbeterd in de kroeg en daar bleef het toen bij.

Op mijn drieëntwintigste (1976), na afronding van mijn dramastudie, ben ik les gaan geven als dramadocent, richtte Pantijn Poppentheater op en begon mij weer actiever bezig te houden met het daadwerkelijke actievoeren. Ik kon echter slecht tegen het oeverloze gezwam tijdens vergaderingen, het opgaan in de massa, de schreeuwende slogans en daarmee het gebrek aan eigen identiteit en inbreng (ik was al nooit zo’n meeloper). Dit alles stond haaks op mijn eigenzinnigheid, mijn individualisme, mijn gevoel voor vrijheid en creativiteit. In Jan Klaassen vond ik al snel het juiste voermiddel voor het communiceren van mijn idealen. Dat resulteerde in voorstellingen (samen met musicus Klaas Bakker) tegen de neutronenbom, huisjesmelkers, wantoestanden in de gezondheidszorg, milieuvervuiling, racisme, het militaire regime in Chili, Nicaragua, Angola en noem maar op.
 

Over de inhoud van de voorstellingen
Met al mijn voorstellingen is het voor mij op de eerste plaats belangrijk om contact met het publiek te hebben, een interactie te bewerkstelligen (eigen aan het Jan Klaassenspel). Ik probeer een versimpelde vorm van de werkelijkheid neer te zetten, een begrijpelijk verhaal voor iedereen van jong tot oud. Vaak als ik de krant lees of naar het journaal kijk, vraag ik mij af waar het nu eigenlijk over gaat. Na een kleine analyse blijkt het doorgaans heel helder. Hoe genuanceerd een verhaal ook lijkt, je kunt er meestal wel een redelijke ‘zwart-wit-visie’ op los laten in de zin van dat er sprake is van ‘goed en kwaad’. Veel zogenaamde nuanceringen, die allerlei lieden tot specialisten maken, leveren vooral een hoop rookwolken op. Ik zeg, net als kinderen en Jan Klaassen, de dingen liever recht voor z’n raap. Goed is goed en kwaad is kwaad.

Wat heb je aan een boef, die eigenlijk niet echt zo kwaad is en wiens slechte streken te verklaren zijn uit zijn moeilijke jeugd. Slechterikken, zoals de Boef, de Huisbaas, de Generaal, de Beul, Dood en Duivel, staan voor de slechte eigenschappen in de mens, slechte en onrechtvaardige zaken in de samenleving. Waar het om gaat, is dat je je verweert tegen alles wat je ellende berokkent, je vrijheid onredelijk beperkt of zelfs ontneemt, of wat je naar het leven staat (of het nu in jezelf zit of een ander, of het nu bepaalde maatregelen, omstandigheden, of grotere mechanismen zijn). Jan Klaassen verzet zich altijd. Dit is ook zijn boodschap aan het publiek: “Laat je er niet onder krijgen, loop niet weg voor problemen, keer je om en verzet je, neem je lot in eigen handen.”

Men roept wel eens iets over het moralistische gehalte van de poppenkastvoorstellingen. Ik zeg dan: “Zonder moraal, geen leven.” De Jan Klaassenpoppenkast heeft altijd een boodschap. Net zoals ieder mens een bepaalde mening, een bepaald standpunt heeft en daar naar handelt. Zo rekent Jan Klaassen op een directe en humoristische wijze af met de huisbaas, die wel de huur verhoogt, maar niets opknapt aan de woning.

Feitelijk gaat het om vormen van machtsmisbruik, die je kunt vinden bij een baliemedewerker van bijvoorbeeld UWV, die je niet echt helpt en zelfs respectloos bejegent. Als een soort van eigen rechter vindt zo iemand, dat je een profiteur bent en maar moet gaan werken net als hijzelf. Als ‘gewone burger’ sta je altijd aan de verkeerde kant van het loket. Zo kunnen er ook confrontaties ontstaan met de stadswacht, parkeerbeheer, politie, deurwaarder, leraar enz. Iedereen krijgt wel eens te maken met een van deze vertegenwoordigers van de macht en kan dan een grote mate van machteloosheid ervaren. Dit zie je ook bij een nog groter, ongrijpbaarder, mechanisme als oorlogsgeweld (met daar achter de onzichtbare wapenindustrie), zichtbaar vertegenwoordigd door de legers, de generaals. Als mens kan je demonstreren, maar je invloed is gering, zo niet nul komma nul. Dan is het toch heerlijk als Jan Klaassen in de poppenkast, voor één keertje, de generaal een kopje kleiner kan maken en met hem een hele ideologie van vijandschap, dood en verderf ten grave draagt.

Op de Dam in de zomer van 1984 met de voorstelling ‘Jan let op!’ (tegen de neutronenbom) met slagwerker Berend de Vries, Klaas Bakker met accordeon, Annemarie Roelofs elektrische viool en poppenspeler Wim Kerkhove met Jan Klaassen en de Generaal (foto: Marco Bakker)

De poppenkast propageert natuurlijk niet, dat iedereen er in het dagelijkse leven maar op los moet rossen. Een gevoelig voorbeeld is de scène met de baby die uit de poppenkast wordt gegooid, waar nog wel eens wat kritiek op komt. In de samenleving wordt steeds meer gesproken over geweld, zinloos geweld (welk geweld is zinvol?), bezinningloos geweld. Zeker sinds de opkomst van de pedagogiek, lijken mensen meer moeite te hebben gekregen met het zogenaamde geweld in de poppenkast.

De uiterlijke vorm van het poppenkastgeweld komt ogenschijnlijk overeen met wat men mee kan maken in de dagelijkse realiteit. Het gaat om gewone mensen (huisbaas), simpele ambtenaren (politie-agent). Heel iets anders dan de beul en nog abstracter: dood en duivel. Om de beul zal nooit iemand zich druk maken, of hebben gemaakt (behalve zijn vrouw en kinderen). Maar geweld tegen een onschuldige medeburger, een stadswacht of een politie-agent ligt vanzelfsprekend wat gevoeliger. Dit geweld wordt terecht veroordeeld en bestreden, wanneer dit plaatsvindt in het echte leven. De poppenkast is echter spel, het is een slapstick, waarin de mensen een spiegel krijgen voorgehouden. In het Jan Klaassenspel worden misstanden gecorrigeerd en rekent de poppenspeler met zijn kleine acteurs af met angst en fantasieloosheid.

Jan Klaassen is bovenal een nar, die maatschappelijke verhoudingen aan de kaak stelt en laat zien hoe belachelijk die vaak zijn. Met alles wat er in de poppenkast gebeurt, zegt Jan Klaassen eigenlijk: “Mensen, jullie zijn niet de enige, die er zo over denken, die zo voelen, die zoiets meemaken. Alles is herkenbaar en kan je er in het gewone leven niets mee, met Jan Klaassen kan je er samen om lachen. Gedeelde smart is halve smart. Dat helpt om overeind te blijven, bepaalde zaken te kunnen relativeren en er beter mee om te kunnen gaan. Jan Klaassen steekt mensen een hart onder de riem!


De ronzebons – een kijkje achter de schermen van de poppenkast (deel 2)
Lezing verzorgd door Wim Kerkhove in Theater Pantijn op 31 augustus 1998 (herschreven op 11 april 2009)
©

Hoe komt een voorstelling tot stand?
Uitgangspunt voor Pantijn is doorgaans een maatschappelijk thema. Feitelijk niets nieuws voor het volkspoppentheater, dat door de eeuwen heen een spiegel was van de samenleving. De poppenspeler gaf commentaar op actuele gebeurtenissen, al dan niet het eigen huishouden als uitgangspunt nemend, en speelde in elk geval, bewust of onbewust, naar de tijdsgeest. Veel ontstond, net als bij de Commedia dell’arte, al improviserend. Pantijn heeft naast de ‘kleinere’ thema’s zoals de echtelijke ruzie, de huurschuld, drankmisbruik, het eeuwige geldgebrek, ziekte, bestuurlijke maatregelen en aanvaringen met het wettelijke gezag, ook de grotere thema’s aangepakt zoals de wapenwedloop in ‘Jan let op’ (later ‘Starwars’). In deze voorstelling werd de Amerikaanse dreiging met de neutronenbom en later de kruisraket tot thema gemaakt. De Generaal had bij de Duivel een bom besteld, die mensen doodt, maar gebouwen laat staan. Jan Klaassen, die op de raket moest letten, drukte natuurlijk op een verkeerd knopje, wat ertoe leidde dat de Generaal door z’n eigen wapentuig onschadelijk werd gemaakt. Dit soort voorstellingen werd wel bestempeld als politieke poppenkast en men bedoelde dan vooral ‘linkse politiek’. Zelf heb ik het altijd over maatschappelijk betrokken poppenkast, wat ook niet zo nieuw is voor het volkspoppentheater.

Sloophamer in gevecht met Jantje de punker in de theater voorstelling ‘Sloophamer BV’ tijdens de uitverkochte première in de Paloni Zaal van Centrum Bellevue

In ‘Sloophamer B.V.’ was het uitgangspunt het speculeren met woningen en de kraakbeweging. Sloophamer is niet alleen de huisjesmelker, met wie Jan Klaassen het al eeuwen aan de stok heeft, hij is tevens een nietsontziende projectontwikkelaar, die sloopt wat hem voor handen komt. Sloophamer: “Ik heb mijn geld laatst weer geteld, ja, ja, en het is nog niet genoeg, nee, nee. Dus ik wacht tot het holst van de nacht en dan ….. sloop ik wat ik slopen kan. Hahaha!” (liedfragment uit de ouverture van Sloophamer B.V.). De huisbaas nieuwe stijl kreeg in ‘Sloophamer B.V.’ met een eigentijdse Jan Klaassen te maken, de zoon van Jan en Katrijn, Jantje de Punker. Samen met Kroko, een uit Artis ontsnapte krokodil, maakt Jantje, op humoristische wijze, een einde aan de duistere praktijken van Sloophamer en zijn compagnon de Duivel.

Pantijn heeft, naast de vele gelegenheidsvoorstellingen (Chilicomité, Nicaraguacomité, Medisch Comité Angola, Vluchtelingenwerk etc.), ook een adhocvoorstelling gemaakt voor de actiegroep tegen de ‘Stopera’. Nog nooit eerder en nooit meer daarna is er bij Pantijn een voorstelling zo spontaan en snel ontstaan en uitgevoerd als dit actie-optreden. Klaas Bakker (de toenmalige musicus van Pantijn) en ik kwamen met onze fietskarren aan op de Dam om poppenkast te gaan spelen. Er was echter een grote manifestatie gaande tegen de gemeentelijke plannen om op het Waterlooplein een Muziektheater / Stadhuis (De Stopera) te gaan bouwen. We stapten naar de organisatie en stelden ons voor als de bespelers van de Poppenkast op de Dam. Iemand van de organisatie vroeg ons of wij er geen zin hadden te verkassen naar het Waterlooplein en met de poppenkast mee actie te voeren tegen de bouw van de Stopera. Dit zagen wij wel zitten. Als vorm van onkostenvergoeding kregen wij een briefje van honderd gulden in onze handen gestopt.

Als de bliksem fietsen wij weer naar de Vechtstraat, waar ik toen woonde, en na een kort overleg ging Klaas snel aan de slag met het schrijven van speciale liedjes en ik met een actieverhaal. Op onze oude stencilmachine (Gestetner) draaiden wij een stapeltje van de uitgetypte liedteksten uit. Deze konden wij later dan uitdelen aan het publiek om mee te kunnen zingen. Een paar uur later stond de poppenkast op het Waterlooplein en speelden wij voor een publiek van actievoerders onze kersverse en eenmalige actievoorstelling. Vlak naast ons werd een bouwkeet de Amstel in geduwd en een hijskraan in brand gestoken. M.E. (Mobiele Eenheid van de politie) en actievoerders kwamen grimmig tegenover elkaar te staan. De M.E. begon de actievoerders op te jagen en midden in het strijdgewoel vreesden wij voor de poppenkast. Gelukkig is die overeind gebleven en zijn wij er met de schrik nog goed van af gekomen.

De enige keer dat de poppenkast is omgegaan, was op de Albert Cuyp. Met een dienblad vol drankjes kwam ik uit het café op de hoek van de 1e Sweelinckstraat. Tot mijn grote ontsteltenis zag ik dat de hele poppenkast in stukken gebroken op straat lag. De wind had hem, ondanks de scheerlijnen, omver getrokken. We hebben toen alles tot op de laatste splinter opgeraapt en op de fietskar gelegd. Daar ik mij voor de marktkooplui, die ons voortdurend het leven zuur maakten, niet wilde laten kennen, heb ik de poppen aan mijn riem gehangen en zo zonder poppenkast een voorstelling gegeven. De volgende dag was de poppenkast alweer gerepareerd en traden wij op in het Vondelpark.

Zo maak je wat mee en zo kan ik wel honderden verhalen vertellen. Zoals over de Hare Krishna op de Dam. Zij hadden de merkwaardige gewoonte om dwars door onze voorstelling, tussen het poppenkastpubliek, te gaan dansen en zingen. Hen er meerdere keren op gewezen, dat dit ons optreden erg stoorde en hen verzocht iets verder op uiting te geven aan hun geloof en vreugde. Er viel echter niet te communiceren. En nadat een van deze, doorgaans zeer vredelievende, mensen overging tot geweld en mij domweg opzij zette, heb ik maar besloten er iets anders op te bedenken. Zo ontstond mijn Hara Krishnapop, die ik elk moment op kon laten komen in de poppenkast en mee kon laten dansen met de Hare Krishna. Dit tot grote hilariteit bij het publiek. De Hare Krishnamensen hebben nooit meer een voorstelling verstoord. Het probleem was opgelost.

Dat is ook het aardige van het werken op straat. Het is altijd anders en er gebeurt altijd wel iets. Zo ook in de zomer van 1986 toen de voorstelling ‘Feest voor iedereen’ aanleiding gaf tot een flinke matpartij op de Dam. Maar eerst iets over deze voorstelling zelf. ‘Feest voor iedereen’ is tot stand gekomen in samenwerking met de regisseurs Rufus Collins en Henk Tjon (Theatergroep De Nieuw Amsterdam). Bij Pantijn bestond al enige tijd het verlangen een voorstelling te maken over de veelkleurige, multiculturele samenleving van Amsterdam. Onder andere vanuit de gedachte, dat wanneer je de poppenkast ziet als een spiegel van de samenleving, die samenleving zich daar ook in moet kunnen spiegelen, zich daarin ook moet kunnen herkennen. Tevens moest het een aanklacht worden tegen racisme, tegen vreemdelingenhaat (Kerwin Duinmeyer was net vermoord 20-08-1983), zonder daar het accent op te leggen. Belangrijk was vooral om te benadrukken wat voor een verrijking de toenemende veelkleurigheid is voor de Nederlandse samenleving. Vroeger, ook bij Cabalt, kwamen er in de volkspoppenkast nogal eens een Jood, een Chinees of een neger voor. Deze waren dan doorgaans toegerust met negatieve, stereotype eigenschappen, die vooroordelen tegen vreemdelingen eerder versterkten dan afzwakten. Dat wilden wij in de nieuwe Pantijnvoorstelling zeker voorkomen.

De personages
Met Henk Tjon en Rufus Collins zijn wij voor het eerst op een heel andere manier gaan werken aan stem en beweging. Voor ieder personage zochten wij een corresponderend dier. Zo kwamen wij voor Jan Klaassen op een papagaai, voor Katrijn op een kip, voor de Agent op een aap, voor de Duivel op een geit, voor de dokter op een slang en voor de Generaal op een hond. Voor Karagöz (Turkse neef van Jan Klaassen) en Buurvrouw Pengel (Surinaamse onderwijzeres van Jantje) hebben we niet echt een dier gevonden. Gelukkig kon ik voor Karagöz het ritme van de Turkse taal gebruiken en had ik het voorbeeld van een Turkse schimmenspeler. Voor Buurvrouw Pengel had ik Henk Tjon als voorbeeld. Als Surinamer kon hij uitstekend een Surinaamse vrouw nadoen en met hem had ik ook de beschikking over typisch Surinaamse uitdrukkingen. Hierdoor kon zij zich ruim voldoende onderscheiden van Katrijn. Voor Arie Pieper, later Buurman Boef (de boevigste boef van de poppenkast), hebben wij gezocht in het benepene en de simpele kortzichtigheid van iemand die zich laat leiden door vooroordelen.

Klaas Bakker op accordeon, Bobby Rustveld op davul en slagwerk, Erdogan Karagoz op zurna in de voorstelling ‘Feest voor iedereen’ (foto: Marco Bakker)

Een poppenkastpersonage alleen een stem geven is niet voldoende. Iedere pop heeft daarnaast ook een eigen taal, een eigen spraakgebruik en bewegingspatroon. Dat laatste is, vanwege de beperkte bewegingsmogelijkheden van een handpop, best lastig (maar niet onmogelijk). Net als ieder mens krijgt een pop vanaf het ontstaan, de geboorte, steeds meer bagage. Ook een pop heeft een eigen referentiekader, dat hem in alles onderscheidt van de andere poppenpersonages. Daarbij komt ie niet pas tot leven op het moment van opkomst. Ook een pop komt ergens vandaan en gaat ergens heen. Met de bagage begin je al wanneer je een kop gaat maken en nadenkt over de kleding. Het voert hier te ver om daar nu dieper op in te gaan, dat is materiaal voor een workshop.

Dat geldt ook voor de mise-en-scène, het repeteren en het gebruiken van traditionele elementen zoals het grappige rijmen, het misverstaan, tempo en de vervolgens noodzakelijke herhaling (zoals bij clowns), het zoeken achter het linker gordijntje, terwijl het rechts moet zijn, het ‘Achter je!’ en dan is ie weer voor je, of naast je, of helemaal verdwenen. Dan heb je ook nog de derde pop op het toneel, terwijl je maar twee handen hebt, attributen als de stok, het pannetje, de deegrol, galg, het kistje en de doodskist. Heel belangrijk zijn ook de grote karikaturale bewegingen en de timing. Als er bijvoorbeeld bij de galgscène in de opbouw, de timing ook maar iets verkeerd gaat, dan werkt het hele spelletje niet.

Maar goed, ik had nog beloofd iets te vertellen over de matpartij op de Dam naar aanleiding van de voorstelling “Feest voor iedereen’. Wat zich in de poppenkast afspeelde, kreeg in de realiteit ook vorm. Een ijscoman bij de poppenkast ergerde zich aan een gekleurde band, waarmee Pantijn samenwerkte, en probeerde met behulp van de politie een einde te maken aan de muziekoptredens. In de poppenkast zette Katrijn de ijscoman op een lijn met de Boef die het feest wilde verpesten. De ijscoman raakte hierdoor buiten zinnen en dreigde de poppenkast omver te rijden, waarna het tot een handgemeen kwam met de muzikanten en de poppenspeler. Na veel toestanden en een gebrek aan bereidheid bij de politie om de aangifte op te nemen, is het er, dankzij de verschillende getuigenverklaringen, toch nog van gekomen dat de ijscoman door de rechter werd veroordeeld. En zo eindigde deze geschiedenis net als in de poppenkast: de boef achter de tralies.

Het gevecht tussen goed en kwaad, letterlijk en figuurlijk, is een van de belangrijkste ingrediënten van het volkspoppentheater. Ik kan mij geen Jan Klaassenverhaal voorstellen zonder fysieke afronding. Een boef of Generaal zonder stevig gevecht levert niet echt een spannend, visueel aantrekkelijk verhaal op.

Op de Dam met Klaas Bakker kondigen we samen met een liedje de voorstelling aan: ‘Komt dat zien, komt dat zien. Hier gaat het gebeuren, hier moet je zijn. Jan Klaassen en Katrijn, de Generaal, de Dood van Pierlala en ….. de Duivel! Het wordt een spannend verhaal, een flinke knokpartij. Kun je daar niet tegen? Ga dan maar snel naar huis. Voor wie blijft. Veel plezier met de poppenkast. De Poppenkast gaat beginnen!‘ (foto: Marco Bakker)

Spelen op straat
Het spelen op straat scheelt vooral een hoop gesjouw met statieven, spots en kabels. Je speelt bij daglicht. De ene keer is dat iets meer, de andere keer iets minder. Je speelt in een natuurlijke ambiance. In een theater, school of buurthuis moet er een bepaalde sfeer gecreëerd worden. Op straat speel je grotendeels voor een toevallig voorbij lopend publiek, mensen die er niet persé voor hebben gekozen naar jouw optreden te komen kijken. Je moet ze ter plekke en op dat moment weten te pakken en zien af te brengen van hun oorspronkelijke plan om boodschappen te gaan doen, te lunchen of wat dan ook. Ze waren ook niet van plan iets uit te geven aan jouw poppenkast. Toch is het dan juist de kunst ze wat uit hun zak te kloppen. Dat is ook nog eens een directe waardering, net als de reacties en het applaus, voor wat je hebt vertoond.

Publiek bij de Poppenkast op de Dam (foto: Marco Bakker)

Op straat speel je eerder voor een grote diversiteit aan mensen, dan in een theater. Het feit, dat in een theater entree wordt geheven en je ergens naar binnen moet, letterlijk over de drempel, vraagt om een plan, organisatie: je moet een plaats reserveren en er op tijd zijn. Op straat kan het publiek komen en gaan wanneer het wil. Op straat speel je voor alle leeftijden en blijven mensen staan kijken, die nooit een voet in het theater hebben gezet of zullen zetten. Werken op straat heeft al gauw minder pretentie en geeft veel vrijheid. Je krijgt ook te maken met allerlei toevallige situaties en gebeurtenissen. Je staat in het volle leven. Het spel moet staan als een huis, zodat je kunt concurreren met andere artiesten, de tram en het carillon (Paleis op de Dam). Elke scène moet een verhaaltje in zich zijn (begin, midden, einde), zodat het niet uitmaakt wanneer je er als toeschouwer bijkomt of weggaat. Daarom werkt de traditionele opzet van het Jan Klaassenverhaal zo goed. De straat vraagt doorgaans ook om een wat schematischer aanpak, meer actie en een wat groter spektakel. In een theater kun je makkelijker een langer verhaal met uitgebreidere nuanceringen neerzetten.

Jan Klaassen tijdens het festival ter gelegenheid van 100-jaar Poppenkast op de Dam in 1993 (foto: Jean van Lingen)

Spelen op straat heb ik altijd erg leuk gevonden. Twintig jaar op de Dam, je vaste plek met je eigen handeltje, was vooral één groot feest. Naast de vele toevallige passanten had je dan een vaste kern van het publiek die altijd weer even langs kwam. Zelf was je een van de straatfiguren, een aanspreekpunt, een onderdeel van de traditie en van het hele gebeuren op het bekendste plein van Nederland. Als je een dag lekker had gespeeld voor een enthousiast publiek en thuiskwam met honderden indrukken en verhalen, dan was je weliswaar moe, uitgevloerd, maar je had ’t ‘m dan, met de woorden van Jan Klaassen, toch maar weer fijn gelapt!

Foto’s van Marco Bakker en Jean van Lingen