Home

 Pantijn

De poppenspeler

Voorstellingen / lezingen

Opleiding

Zakelijk

Contact

Nieuws

Jan Klaassen

Plakboek

Links


De ronzebons - een kijkje achter de schermen van de poppenkast (deel 2)
Lezing verzorgd door Wim Kerkhove in Theater Pantijn op 31 augustus 1998 (herschreven op 11 april 2009)

Hoe komt een voorstelling tot stand?

Uitgangspunt voor Pantijn is doorgaans een maatschappelijk thema. Feitelijk niets nieuws voor het volkspoppentheater, dat door de eeuwen heen een spiegel was van de samenleving. De poppenspeler gaf commentaar op actuele gebeurtenissen, al dan niet het eigen huishouden als uitgangspunt nemend, en speelde in elk geval, bewust of onbewust, naar de tijdsgeest. Veel ontstond, net als bij de Commedia dell'arte, al improviserend. Pantijn heeft naast de 'kleinere' thema's zoals de echtelijke ruzie, de huurschuld, drankmisbruik, het eeuwige geldgebrek, ziekte, bestuurlijke maatregelen en aanvaringen met het wettelijke gezag, ook de grotere thema's aangepakt zoals bijvoorbeeld de wapenwedloop in 'Jan let op' (later 'Starwars'). In deze voorstelling werd de Amerikaanse dreiging met de neutronenbom en later de kruisraket tot thema gemaakt. De Generaal had bij de Duivel een bom besteld, die mensen doodt, maar gebouwen laat staan. Jan Klaassen, die op de raket moest letten, drukte natuurlijk op een verkeerd knopje, hetgeen ertoe leidde dat de Generaal door z'n eigen wapentuig onschadelijk werd gemaakt. Dit soort voorstellingen werd wel bestempeld als politieke poppenkast en men bedoelde dan vooral 'linkse politiek'. Zelf heb ik het altijd over maatschappelijk betrokken poppenkast, hetgeen ook niet zo nieuw is voor het volkspoppentheater.

In 'Sloophamer B.V.' was het uitgangspunt het speculeren met woningen en de kraakbeweging. Sloophamer is niet alleen de huisjesmelker, met wie Jan Klaassen het al eeuwen aan de stok heeft, hij is tevens een nietsontziende projectontwikkelaar, die sloopt wat hem voor handen komt. Sloophamer: "Ik heb mijn geld laatst weer geteld, ja, ja, en het is nog niet genoeg, nee, nee. Dus ik wacht tot het holst van de nacht en dan ..... sloop ik wat ik slopen kan. Hahaha!" (liedfragment uit de ouverture van Sloophamer B.V.). De huisbaas nieuwe stijl kreeg in 'Sloophamer B.V.' met een eigentijdse Jan Klaassen te maken, de zoon van Jan en Katrijn, Jantje de Punker. Samen met Kroko, een uit Artis ontsnapte krokodil, maakt Jantje, op humoristische wijze, een einde aan de duistere praktijken van Sloophamer en zijn compagnon de Duivel.

Pantijn heeft, naast de vele gelegenheidsvoorstellingen (Chilicomité, Nicaraguacomité, Medisch Comité Angola, Vluchtelingenwerk etc.), ook een een adhocvoorstelling gemaakt voor de actiegroep tegen de 'Stopera'. Nog nooit eerder en nooit meer daarna is er bij Pantijn een voorstelling zo spontaan en snel ontstaan en uitgevoerd als dit actie-optreden. Klaas Bakker (de toenmalige musicus van Pantijn) en ik kwamen met onze fietskarren aan op de Dam om poppenkast te gaan spelen. Er was echter een grote manifestatie gaande tegen de gemeentelijke plannen om op het Waterlooplein een Muziektheater / Stadhuis (De Stopera) te gaan bouwen. We stapten naar de organisatie en stelden ons voor als de bespelers van de Poppenkast op de Dam. Iemand van de organisatie vroeg ons of wij er geen zin hadden te verkassen naar het Waterlooplein en met de poppenkast mee actie te voeren tegen de bouw van de Stopera. Dit zagen wij wel zitten. Als vorm van onkostenvergoeding kregen wij een briefje van honderd gulden in onze handen gestopt.

Als de bliksem fietsten wij weer naar de Vechtstraat, waar ik toen woonde, en na een kort overleg ging Klaas snel aan de slag met het schrijven van speciale liedjes en ik met een actieverhaal. Op onze oude stencilmachine (Gestetner) draaiden wij een stapeltje van de uitgetypte liedteksten uit. Deze konden wij later dan uitdelen aan het publiek om mee te kunnen zingen. Een paar uur later stond de poppenkast op het Waterlooplein en speelden wij voor een publiek van actievoerders onze kersverse en eenmalige actievoorstelling. Vlak naast ons werd een bouwkeet de Amstel in geduwd en een hijskraan in brand gestoken. M.E. (Mobiele Eenheid van de politie) en actievoerders kwamen grimmig tegenover elkaar te staan. De M.E. begon de actievoerders op te jagen en midden in het strijdgewoel vreesden wij voor de poppenkast. Gelukkig is die overeind gebleven en zijn wij er met de schrik nog goed van af gekomen.

De enige keer dat de poppenkast is omgegaan, was op de Alber Cuyp. Met een dienblad vol drankjes kwam ik uit het café op de hoek van de 1e Sweelinckstraat. Tot mijn grote ontsteltenis zag ik dat de hele poppenkast in stukken gebroken op straat lag. De wind had hem, ondanks de scheerlijnen, omver getrokken. We hebben toen alles tot op de laatste splinter opgeraapt en op de fietskar gelegd. Daar ik mij voor de marktkooplui, die ons voortdurend het leven zuur maakten, niet wilde laten kennen, heb ik de poppen aan mijn riem gehangen en zo zonder poppenkast een voorstelling gegeven. De volgende dag was de poppenkast alweer gerepareerd en traden wij op in het Vondelpark.

Zo maak je wat mee en zo kan ik wel honderden verhalen vertellen. Zoals over de Hare Krishna op de Dam. Zij hadden de merkwaardige gewoonte om dwars door onze voorstelling, tussen het poppenkastpubliek, te gaan dansen en zingen. Hen er meerdere keren op gewezen, dat dit ons optreden erg stoorde en hen verzocht iets verder op uiting te geven aan hun geloof en vreugde. Er viel echter niet te communiceren. En nadat een van deze, doorgaans zeer vredelievende, mensen overging tot geweld en mij domweg opzij zette, heb ik maar besloten er iets anders op te bedenken. Zo ontstond mijn Hara Krishnapop, die ik elk moment op kon laten komen in de poppenkast en mee kon laten dansen met de Hare Krishna. Dit tot grote hilariteit bij het publiek. De Hare Krishnamensen hebben nooit meer een voorstelling verstoord. Het probleem was opgelost.

Dat is ook het aardige van het werken op straat. Het is altijd anders en er gebeurt altijd wel iets. Zo ook in de zomer van 1986 toen de voorstelling 'Feest voor iedereen' aanleiding gaf tot een flinke matpartij op de Dam. Maar eerst iets over deze voorstelling zelf. 'Feest voor iedereen' is tot stand gekomen in samenwerking met de regisseurs Rufus Collins en Henk Tjon (Theatergroep De Nieuw Amsterdam). Bij Pantijn bestond al enige tijd het verlangen een voorstelling te maken over de veelkleurige, multiculturele samenleving van Amsterdam. Onder andere vanuit de gedachte, dat wanneer je de poppenkast ziet als een spiegel van de samenleving, die samenleving zich daar ook in moet kunnen spiegelen, zich daarin ook moet kunnen herkennen. Tevens moest het een aanklacht worden tegen racisme, tegen vreemdelingenhaat (Kerwin Duinmeyer was net vermoord 20-08-1983), zonder daar het accent op te leggen. Belangrijk was vooral om te benadrukken wat voor een verrijking de toenemende veelkleurigheid is voor de Nederlandse samenleving. Vroeger, ook bij Cabalt, kwamen er in de volkspoppenkast nogal eens een Jood, een Chinees of een neger voor. Deze waren dan doorgaans toegerust met negatieve, stereotype eigenschappen, die vooroordelen tegen vreemdelingen eerder versterkten dan afzwakten. Dat wilden wij in de nieuwe Pantijnvoorstelling zeker voorkomen.
 

De personages

Met Henk Tjon en Rufus Collins zijn wij voor het eerst op een heel andere manier gaan werken aan stem en beweging. Voor ieder personage zochten wij een corresponderend dier. Zo kwamen wij voor Jan Klaassen op een papegaai, voor Katrijn op een kip, voor de Agent op een aap, voor de Duivel op een geit, voor de dokter op een slang en voor de Generaal op een hond. Voor Karagöz (Turkse neef van Jan Klaassen) en Buurvrouw Pengel (Surinaamse onderwijzeres van Jantje) hebben we niet echt een dier gevonden. Gelukkig kon ik voor Karagöz het ritme van de Turkse taal gebruiken en had ik het voorbeeld van een Turkse schimmenspeler. Voor Buurvrouw Pengel had ik Henk Tjon als voorbeeld. Als Surinamer kon hij uitstekend een Surinaamse vrouw nadoen en met hem had ik ook de beschikking over typisch Surinaamse uitdrukkingen. Hierdoor kon zij zich ruim voldoende onderscheiden van Katrijn. Voor Arie Pieper, later Buurman Boef (de boevigste boef van de poppenkast), hebben wij gezocht in het benepene en de simpele kortzichtigheid van iemand die zich laat leiden door vooroordelen.

Een poppenkastpersonage alleen een stem geven is niet voldoende. Iedere pop heeft daarnaast ook een eigen taal, een eigen spraakgebruik en bewegingspatroon. Dat laatste is, vanwege de beperkte bewegingsmogelijkheden van een handpop, best lastig (maar niet onmogelijk). Net als ieder mens krijgt een pop vanaf het ontstaan, de geboorte, steeds meer bagage. Ook een pop heeft een eigen referentiekader, dat hem in alles onderscheidt van de andere poppenpersonages. Daarbij komt ie niet pas tot leven op het moment van opkomst. Ook een pop komt ergens vandaan en gaat ergens heen. Met de bagage begin je al wanneer je een kop gaat maken en nadenkt over de kleding. Het voert hier te ver om daar nu dieper op in te gaan, dat is materiaal voor een workshop.

Dat geldt ook voor de mise-en-scène, het repeteren en het gebruiken van traditionele elementen zoals het grappige rijmen, het misverstaan, tempo en de vervolgens noodzakelijke herhaling (zoals bij clowns), het zoeken achter het linker gordijntje, terwijl het rechts moet zijn, het 'Achter je!' en dan is ie weer voor je, of naast je, of helemaal verdwenen. Dan heb je ook nog de derde pop op het toneel, terwijl je maar twee handen hebt, attributen als de stok, het pannetje, de deegrol, galg, het kistje en de doodskist. Heel belangrijk zijn ook de grote karikaturale bewegingen en de timing. Als er bijvoorbeeld bij de galgscène in de opbouw, de timing ook maar iets verkeerd gaat, dan werkt het hele spelletje niet.

Maar goed, ik had nog beloofd iets te vertellen over de matpartij op de Dam naar aanleiding van de voorstelling "Feest voor iedereen'. Wat zich in de poppenkast afspeelde, kreeg in de realiteit ook vorm. Een ijscoman bij de poppenkast ergerde zich aan een gekleurde band, waarmee Pantijn samenwerkte, en probeerde met behulp van de politie een einde te maken aan de muziekoptredens. In de poppenkast zette Katrijn de ijscoman op één lijn met de Boef die het feest wilde verpesten. De ijscoman raakte hierdoor buiten zinnen en dreigde de poppenkast omver te rijden, waarna het tot een handgemeen kwam met de muzikanten en de poppenspeler. Na veel toestanden en een gebrek aan bereidheid bij de politie om de aangifte op te nemen, is het er, dankzij de verschillende getuigenverklaringen, toch nog van gekomen dat de ijscoman door de rechter werd veroordeeld. En zo eindigde deze geschiedenis net als in de poppenkast: de boef achter de tralies.

Het gevecht tussen goed en kwaad, letterlijk en figuurlijk, is een van de belangrijkste ingrediënten van het volkspoppentheater. Ik kan mij geen Jan Klaassenverhaal voorstellen zonder fysieke afronding. Een boef of Generaal die belooft z'n leven te beteren, levert niet echt een spannend en visueel aantrekkelijk verhaal op.
 

Spelen op straat

Het spelen op straat scheelt vooral een hoop gesjouw met statieven, spots en kabels. Je speelt bij daglicht. De ene keer is dat iets meer, de andere keer iets minder. Je speelt in een natuurlijke ambiance. In een theater, school of buurthuis moet er een bepaalde sfeer gecreëerd worden. Op straat speel je grotendeels voor een toevallig voorbij lopend publiek, mensen die er niet persé voor hebben gekozen naar jouw optreden te komen kijken. Je moet ze ter plekke en op dat moment weten te pakken en zien af te brengen van hun oorspronkelijke plan om boodschappen te gaan doen, te lunchen of wat dan ook. Ze waren ook niet van plan iets uit te geven aan jouw poppenkast. Toch is het dan juist de kunst ze wat uit hun zak te kloppen. Dat is ook nog eens een directe waardering, net als de reacties en het applaus, voor wat je hebt vertoond.

Op straat speel je eerder voor een grote diversiteit aan mensen, dan in een theater. Het feit, dat in een theater entree wordt geheven en je ergens naar binnen moet, letterlijk over de drempel, vraagt om een plan, organisatie: je moet een plaats reserveren en er op tijd zijn. Op straat kan het publiek komen en gaan wanneer het wil. Op straat speel je voor alle leeftijden en blijven mensen staan kijken, die nooit een voet in het theater hebben gezet of zullen zetten. Werken op straat heeft al gauw minder pretentie en geeft veel vrijheid. Je krijgt ook te maken met allerlei toevallige situaties en gebeurtenissen. Je staat in het volle leven. Het spel moet staan als een huis, zodat je kunt concureren met andere artiesten, de tram en het carillon (Paleis op de Dam). Elke scène moet een verhaaltje in zich zijn (begin, midden, einde), zodat het niet uitmaakt wanneer je er als toeschouwer bijkomt of weggaat. Daarom werkt de traditionele opzet van het Jan Klaassenverhaal zo goed. De straat vraagt doorgaans ook om een wat schematischer aanpak, meer actie en een wat groter spektakel. In een theater kun je makkelijker een langer verhaal met uitgebreidere nuanceringen neerzetten.

Spelen op straat heb ik altijd erg leuk gevonden. Twintig jaar op de Dam, je vaste plek met je eigen handeltje, was vooral één groot feest. Naast de vele toevallige passanten had je dan een vaste kern van het publiek die altijd weer even langs kwam. Zelf was je een van de straatfiguren, een aanspreekpunt, een onderdeel van de traditie en van het hele gebeuren op het bekendste plein van Nederland. Als je een dag lekker had gespeeld voor een enthousiast publiek en thuiskwam met honderden indrukken en verhalen, dan was je welliswaar moe, uitgevloerd, maar je had 't 'm dan, met de woorden van Jan Klaassen, toch maar weer fijn gelapt!

 

 
                          
 


Deel 1
 

 

 

 


Home
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

      

 


Deel 1
 

 

              

 


Home
 

 

 

 

 Home

 Pantijn

De poppenspeler

Voorstellingen / lezingen

Opleiding

Zakelijk

Contact

Nieuws

Jan Klaassen

Plakboek

Links