Home

 Pantijn

De poppenspeler

Voorstellingen / lezingen

Opleiding

Zakelijk

Contact

Nieuws

Jan Klaassen

Plakboek

Links


De ronzebons - een kijkje achter de schermen van de poppenkast (deel 1)
Lezing verzorgd door Wim Kerkhove in Theater Pantijn op 31 augustus 1998 (herschreven op 11 april 2009)

Inleiding

Hoe word je poppenspeler (Jan Klaassenspeler)?

Veel interviews beginnen met deze vraag. Meestal heb ik er niet zo'n zin in antwoord te geven en eerlijk gezegd weet ik het ook niet zo goed. Vaak maak ik mij er vanaf met een antwoord als: "Afzien, hard werken, niks willen verdienen en volhouden." De interviewer wil echter weten of het er bij mij als kind al vroeg inzat. Speelde ik als kind ook al met poppen? Wilde ik als kind ook al anderen vermaken met mijn kunsten? Ja natuurlijk, maar welk kind niet? In de schuurdeuropening spande ik als kind een oud gordijn en improviseerde, met geleende handpoppen, een verhaaltje voor een door mij eigenhandig geronseld en betalend jeugdig publiek.
Ook organiseerde ik meermalen een circus in onze tuin, waarbij dan onze vele huisdieren, van egel, schildpad, kip, poes, hond tot konijn, het moesten ontgelden. Zelfs verkocht ik mensen aan de voordeur bloemen, die ik net daarvoor uit hun eigen achtertuin had geplukt. Zo gaat het nu nog steeds met verhaaltjes. Feitelijk schotel ik mensen hun eigen verhaaltjes voor, waar ze dan nog voor betalen ook.

Soms graaf ik verder terug in mijn eigen leven, mijn eigen jeugd en probeer te achterhalen of ik als kind al meer specifieke kwaliteiten of interesses had, die wezen op een mogelijke ontwikkeling tot poppenspeler. Achteraf is het altijd makkelijk bewijs te vinden, daar een mens gauw geneigd is te interpreteren naar wat wenselijk is. Het resultaat van mijn onderzoek stond dus ook al vantevoren vast: ik was geboren om poppenspeler te worden. En niet zomaar een poppenspeler. Nee, veel erger nog, een Jan Klaassenspeler, een straatartiest. Als kind was ik altijd op straat te vinden. Dit in tegenstelling tot mijn oudere en jongere broer, die altijd binnen zaten en zich verloren in Arendsoog en Pietje Bell.  Ik beleefde de avonturen, waar zij over lazen. Dit doorgaans tot groot ongenoegen van buren, onderwijzers, kleine middenstanders en mijn  moeder. Mijn vader was al met de noorderzon vertrokken. Van hem heb ik dan ook zeker de drang tot reizen en het voortdurend verbreden van mijn horizon, hetgeen essentieel genoemd mag worden voor het beroep van poppenspeler.

Mijn vader was ook een handige knutselaar. Dat knutselen is mij met de Bibelebontse paplepel ingegoten. Het zou mij later goed van pas komen, want poppenspelers zijn knutselaars. Mijn vader was ook iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Een van de basiskenmerken van Jan Klaassen. En net als in 'Huize Klaassen' was bij ons thuis de echtelijke ruzie gecultiveerd tot een vorm van kunst, waarbij je als kind, op veilige afstand, het publiek vormde. Korte tijd was mijn vader beroepsmilitair. Ik ken hem dan ook vooral van foto's waarop hij staat geportretteerd in uniform, sprekend de generaal uit mijn Jan Klaassenspel, die onder de groene zoden wordt gestampt. Voer voor psychologen.

Een andere verklaring voor mijn beroepskeuze vind ik in het eerste huwelijk van mijn moeder. Zij trouwde met een zekere meneer Klaassen, de vader van mijn oudste broer. Toen deze man overleed, hertrouwde mijn moeder en werd ik geboren. De tante van mijn oudste broer (Dien Klaassen) borduurde, voor boven mijn broer's ledikant, een afbeelding van een Jan Klaassenpoppenkast, met op de achtergrond oud-Hollandse grachtenpandjes en op de voorgrond publiek en spelende kinderen. Omdat ik de slaapkamer deelde met mijn broer, sliep ik altijd in en ontwaakte ik met het poppenkasttafereel op mijn netvlies. Wat ik nu dus doe, is het kopiëren van dat plaatje uit mijn jeugd.

Tot zo'n bespiegeling kom ik door de vraag: "Hoe word je poppenspeler?" "Hoe ben je er zo toegekomen?" Het lijkt wel alsof je een soort ziekte hebt, een afwijking. Het is natuurlijk ook wel iets afwijkends. Mensen vragen ook dikwijls wat je nu eigenlijk écht voor werk doet. Zij kunnen zich niet voorstellen, dat dit dan echt je werk is, je beroep en dat je daar je brood mee kunt verdienen. Dat laatste is, door de eeuwen heen, ook nooit makkelijk geweest. Maar goed, je geniet als zelfstandige een grote mate van vrijheid en hoeft je voor geen enkele baas te verantwoorden. Ook dat is des Jan Klaassen's. Als kind kon ik al geen gezag aanvaarden en ging altijd mijn eigen weg, wat er ook gebeurde en wat de sancties ook waren.

In Jan Klaassen herkende ik veel van mijzelf, van hoe ik in wereld sta, van mijn eigen gevecht tegen gezag, tegen machthebbers. Met Jan Klaassen kan ik op een vermakelijke wijze alle grote thema's in de samenleving aan de orde stellen. Als geboren querulant, antimilitarist en actievoerder verzette ik mij (jaren zestig, zeventig, tachtig) tegen de wapenwedloop tijdens de 'koude oorlog'. Ik was vijftien toen ik voor het eerst aan een demonstratie deelnam tegen de Russische inval in het toenmalige Tsjecho-Slowakije. Tijdens de Vietnamoorlog en het schrikbewind in Chili was ik even meer bezig met jeugdpuistjes, meisjes, het vrije leven op kamers en 'salonsocialisme'. De wereld werd verbeterd in de kroeg en daar bleef het toen bij.

Op mijn drieëntwintigste (1976), na afronding van mijn dramastudie, ben ik les gaan geven als dramadocent, richtte Pantijn Poppentheater op en begon mij weer actiever bezig te houden met het daadwerkelijke actievoeren. Ik kon echter slecht tegen het oeverloze gezwam tijdens vergaderingen, het opgaan in de massa, de schreeuwende slogans en daarmee het gebrek aan eigen identiteit en inbreng (ik was al nooit zo'n meeloper). Dit alles stond haaks op mijn eigenzinnigheid, mijn individualisme, mijn gevoel voor vrijheid en creativiteit. In Jan Klaassen vond ik al snel het juiste voermiddel voor het communiceren van mijn idealen. Dat resulteerde in voorstellingen (samen met musicus Klaas Bakker) tegen de neutronenbom, huisjesmelkers, wantoestanden in de gezondheidszorg, millieuvervuiling, racisme, het militaire regime in Chili, Nicaragua, Angola en noem maar op.
 

Over de inhoud van de voorstellingen

Met al mijn voorstellingen is het voor mij op de eerste plaats belangrijk om contact met het publiek te maken, een interactie te bewerkstelligen (eigen aan het Jan Klaassenspel). Ik probeer een versimpelde vorm van de werkelijkheid neer te zetten, een begrijpelijk verhaal voor iedereen van jong tot oud. Vaak als ik de krant lees of naar het journaal kijk, vraag ik mij af waar het nu eigenlijk over gaat. Na een kleine analyse blijkt het doorgaans heel helder. Hoe genuanceerd een verhaal ook lijkt, je kan er meestal wel een redelijke 'zwart-wit-visie' op los laten in de zin van dat er sprake is van 'goed en kwaad'. Veel zogenaamde nuanceringen, die allerlei lieden tot specialisten maken, leveren vooral een hoop rookwolken op. Ik zeg, net als kinderen en Jan Klaassen, de dingen liever recht voor z'n raap. Goed is goed en kwaad is kwaad.

Wat heb je aan een boef, die eigenlijk niet echt zo kwaad is en wiens slechte streken te verklaren zijn uit zijn moeilijke jeugd. Slechterikken, zoals de Boef, de Huisbaas, de Generaal, de Beul, Dood en Duivel, staan voor de slechte eigenschappen in de mens, slechte en onrechtvaardige zaken in de samenleving. Waar het om gaat, is dat je je verweert tegen alles wat je ellende berokkent, je vrijheid onredelijk beperkt of zelfs ontneemt, of wat je naar het leven staat (of het nu in jezelf zit of in een ander, of het nu bepaalde maatregelen, omstandigheden, of grotere mechanismen zijn). Jan Klaassen verzet zich altijd. Dit is ook zijn boodschap aan het publiek: "Laat je er niet onder krijgen, loop niet weg voor problemen, keer je om en verzet je, neem je lot in eigen handen."

Men roept wel eens iets over het moralistische gehalte van de poppenkastvoorstellingen. Ik zeg dan: "Zonder moraal, geen leven." De Jan Klaassenpoppenkast heeft altijd een boodschap. Net zoals ieder mens een bepaalde mening, een bepaald standpunt heeft en daar naar handelt. Zo rekent Jan Klaassen op een directe en humoristische wijze af met de huisbaas, die wel de huur verhoogt, maar niets opknapt aan de woning.

Feitelijk gaat het om vormen van machtsmisbruik, die je kan vinden bij een baliemedewerker van bijvoorbeeld UWV, die je niet echt helpt en je zelfs respectloos bejegent. Als een soort van eigen rechter vindt zo iemand, dat je een profiteur bent en maar moet gaan werken net als hijzelf. Als 'gewone burger' sta je altijd aan de verkeerde kant van het loket. Zo kunnen er ook confrontaties ontstaan met de stadswacht, parkeerbeheer, politie, deurwaarder, leraar enz. Iedereen krijgt wel eens te maken met een van deze vertegenwoordigers van de macht en kan dan een grote mate van machteloosheid ervaren. Dit zie je ook bij een nog groter, ongrijpbaarder, mechanisme als oorlogsgeweld (met daar achter de onzichtbare wapenindustrie), zichtbaar vertegenwoordigd door de legers, de generaals. Als mens kan je demonstreren, maar je invloed is gering, zo niet nul komma nul. Dan is het toch heerlijk als Jan Klaassen in de poppenkast, voor één keertje, de generaal een kopje kleiner kan maken en met hem een hele ideologie van vijandschap, dood en verderf ten grave draagt.

De poppenkast propageert natuurlijk niet, dat iedereen er in het dagelijkse leven maar op los moet rossen. Een gevoelig voorbeeld is de scène met de baby die uit de poppenkast wordt gegooid, waar nog wel eens wat kritiek op komt. In de samenleving wordt steeds meer gesproken over geweld, zinloos geweld (welk geweld is zinvol?), bezinningloos geweld. Zeker sinds de opkomst van de pedagogiek, lijken mensen meer moeite te hebben gekregen met het zogenaamde geweld in de poppenkast.

De uiterlijke vorm van het poppenkastgeweld komt ogenschijnlijk overeen met wat men mee kan maken in de dagelijkse realiteit. Het gaat om gewone mensen (huisbaas), simpele ambtenaren (politie-agent). Heel iets anders dan de beul en nog abstracter: dood en duivel. Om de beul zal nooit iemand zich druk maken, of hebben gemaakt (behalve zijn vrouw en kinderen). Maar geweld tegen een onschuldige medeburger, een stadswacht of een politie-agent ligt vanzelfsprekend wat gevoeliger. Dit geweld wordt terecht veroordeeld en bestreden, wanneer dit plaatsvindt in het echte leven. De poppenkast is echter spel, het is een slapstick, waarin de mensen een spiegel krijgen voorgehouden. In het Jan Klaassenspel worden  misstanden gecorrigeerd en rekent de poppenspeler met zijn kleine acteurs af met angst en fantasieloosheid.

Jan Klaassen is bovenal een nar, die maatschappelijke verhoudingen aan de kaak stelt en laat zien hoe belachelijk die vaak zijn. Met alles wat er in de poppenkast gebeurt, zegt Jan Klaassen eigenlijk: "Mensen, jullie zijn niet de enige, die er zo over denken, die zo voelen, die zoiets meemaken. Alles is herkenbaar en kan je er in het gewone leven niets mee, met Jan Klaassen kan je er samen om lachen. Gedeelde smart is halve smart. Dat helpt om overeind te blijven, bepaalde zaken te kunnen relativeren en er beter mee om te kunnen gaan. Jan Klaassen steekt mensen een hart onder de riem!


 

                            
 


Deel 2
 

 

 

 


Home
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

      

 


Deel 2
 

 

                                    

 


Home
 

 

 

 

 Home

 Pantijn

De poppenspeler

Voorstellingen / lezingen

Opleiding

Zakelijk

Contact

Nieuws

Jan Klaassen

Plakboek

Links